Rasbeschrijving van de Berner Sennen

 

FCI-standaardnr. 45

 

Berner Sennenhond, Dürrbächler

 

Land van oorsprong:

Zwitserland.

Gebruik: Oorspronkelijk waak-, drijf- en trekhond op boerderijen, tegenwoordig ook familie- en veelzijdige werkhond.
FCI-classificatie: Groep II, sectie 3. Zwitserse Sennenhond
 
Kort historisch overzicht:

De Berner Sennenhond is een boerenhond van oude herkomst, die in het vóór Alpengebied en delen van het binnenland in de omgeving van Bern als waak-, trek- en drijfhond gehouden werd. Naar het gehucht en de herberg Dürrbach bij Riggisberg, waar deze langharige, driekleurige erfhond bijzonder veelvuldig voorkwam, kreeg hij zijn oorspronkelijke naam: "Dürrbächler". Nadat in 1902, 1904 en 1907 reeds zulke honden op hondententoonstellingen uitgebracht waren, sloten in november 1907 enkele hondenfokkers uit Burgdorf zich aaneen om het ras zuiver te gaan fokken. Zij stichtten de "Schweizerischen DürrbachKlub" en stelden raskenmerken op.In 1910 werden op een hondententoonstelling in Burgdorf, waar veel boeren uit de omgeving met hun Dürrbächler-honden naar toe kwamen, reeds 107 dieren geëxposeerd. Van toen af aan verwierf het ras, in navolging van de andere Zwitserse Sennenhonden, voortaan "Berner Sennenhond" genoemd, snel vrienden in heel Zwitserland en spoedig ook in het naburige Duitsland. Tegenwoordig is de Berner Sennenhond dankzij zijn driekleurige aftekening en zijn aanpassingsvermogen wereldwijd als familiehond bekend en geliefd.

 
Algemene verschijning:
  • Langharige, driekleurige, meer dan middelgrote, krachtige en beweeglijke gebruikshond met stevige ledematen; harmonisch en evenredig.
Belangrijke lichaamsverhouding (formaat):
  • Verhouding tussen schofthoogte en lichaamslengte ca. 9 : 10; eerder gedrongen dan lang.
     
Karakter en gedrag (aard):
  • Zeker, opmerkzaam, waakzaam en onbevreesd in alledaagse situaties, goedmoedig en aanhankelijk in de omgang met vertrouwde personen, zelfverzekerd en vriendelijk tegenover vreemden; gemiddeld temperament, volgzaam.
Hoofd:

Krachtig: schedel zowel in zij- als in vooraanzicht gezien zeer licht gewelfd; zeer duidelijke, doch niet te sterke stop, weinig ontwikkelde voorhoofdgroef; krachtige, middellange, rechte snuit.

  • Neusspiegel: Zwart.
  • Lippen: Weinig ontwikkeld en aansluitend, zwart.
  • Gebit: Volledig, krachtig schaargebit.
  • Ogen: Donkerbruin, amandelvormig, met goed aansluitende oogleden.
  • Oren (behang): Driehoekig, licht afgerond, hoog aangezet, middelgroot, in rust vlak aanliggend.
  • Hals: Krachtig, gespierd, middellang.

 

Lichaam:
  • Krachtig, compact.
  • Borst: Tot aan de elleboog reikend, breed, met duidelijke voorborst; borstkas van breed-ovale doorsnee.
  • Rug: Vast en recht.
  • Lendenpartij: Breed en krachtig.
  • Kruis: Vloeiend afgerond.
  • Buik: Niet opgetrokken.
  • Staart: Dichtbehaard, minstens tot het spronggewricht reikend, in rust hangend, in de beweging zwevend op rughoogte gedragen, of licht daarboven.

Ledematen:
 
Voorhand:
  • Algemeen: In stand tamelijk breed, van voren gezien recht en parallel.
  • Schouders: Lang, krachtig, schuin geplaatst, met de opperarm een niet te stompe hoek vormend, aanliggend en goed bespierd.
  • Voormiddenvoeten: Nagenoeg loodrecht in stand, sterk.
  • Voeten: Kort, rond en gesloten; tenen goed gewelfd.

     

Achterhand:
  • Algemeen: In stand van achteren gezien recht, niet te nauw, achtermiddenvoeten en voeten naar binnen noch naar buiten gedraaid; wolfsklauwen moeten verwijderd zijn.
  • Dijbenen: Tamelijk lang, van opzij gezien met het onderbeen een duidelijke hoek vormend, breed, krachtig en goed bespierd.
  • Spronggewrichten: Krachtig en goed gehoekt.
  • Gangwerk: Ruime, gelijkmatige bewegingsafloop in alle gangen, uitgrijpende ruime pas vóór en goede stuwing vanuit de achterhand; in draf, van voren en van achteren gezien, bewegen de ledematen in een rechte lijn.

     

Beharing:
 
Vachtstructuur:
  • Lang, sluik of licht gegolfd.
  • Kleur van het haar:
  • Diepzwarte grondkleur met diepe, bruinrode brand aan de wangen, boven de ogen, aan alle vier de benen en op de borst, en met de volgende witte aftekeningen:
    zuivere, witte, symmetrische hoofdaftekening. De bles verbreedt zich
    naar de neus toe aan beide zijden tot een witte snuitaftekening.
    De bles mag niet tot aan de vlekken boven de ogen reiken en de
    witte snuitaftekening hoogstens tot aan de mondhoeken.
    witte, matig brede, doorlopende hals- en borstaftekening.
    gewenst: witte voeten, witte staartpunt.
    toegestaan: kleine witte nekvlek en/of kleine witte aarsvlek.
 
Grootte:
  • Reuen 64 - 70 cm schofthoogte, ideaal 66 - 68 cm.
  • Teven 58 - 66 cm schofthoogte, ideaal 60 - 63 cm.
 
Fouten:
  • Iedere afwijking van voornoemde punten moet als fout worden aangemerkt. De beoordeling daarvan moet in verhouding tot de ernst van de afwijking staan en er moet rekening mee gehouden worden in hoeverre aan wezenlijke zaken afbreuk wordt gedaan.

    licht botwerk
    ondervoorbeet en bovenvoorbeet
    het ontbreken van andere tanden dan ten hoogste tweemaal P1 (premolaren); de M3 blijven buiten beschouwing
    entropion, extropion
    zadelrug, overbouwd kruis, aflopende ruglijn
    krulstaart, knikstaart
    duidelijk kroeshaar
    kleur- en aftekeningsfouten
    ontbrekende witte hoofd aftekening
    te brede bles en/of witte snuitaftekening, die duidelijk verder dan de mondhoeken reikt
    grote witte nekvlek
    witte halsring
    wit aan de voorbenen, dat duidelijk tot boven het midden van de middenvoet reikt (laars)
    storend asymmetrische aftekening aan hoofd en borst
    zwarte vlekken en strepen in het wit op de borst
    onzuiver wit (sterke pigmentvlekken)
    bruine of rode gloed over de zwarte grondkleur
    onzeker/instabiel karakter, agressiviteit.
Van beoordeling uitsluitende fouten:

gespleten neus
blauw oog (+ glasoog/porceleinoog), blauwe vlekjes in de iris (= Birkauge)
kort haar of kort stokhaar
het ontbreken van een driekleurenpatroon
anders dan zwartgekleurde mantel.

NB
  • Reuen moeten twee duidelijk normaal ontwikkelde testikels bezitten, die zich volledig in het scrotum bevinden.